Gedragscode

Geloof & Licht Internationaal

Klik op de downloadknop hieronder voor een PDF-versie van onze gedragscode.

Geloof en Licht is gebaseerd op de overtuiging dat iedere mens met een handicap een volwaardige persoon is met alle rechten van dien: bovenal het recht om bemind, gewaardeerd en geëerbiedigd te worden in zijn eigenheid en keuzes; ook het recht op de nodige hulp om zich op alle gebieden, zowel op spiritueel als op menselijk vlak, te kunnen ontwikkelen. Geloof en Licht gelooft ook dat iedere mens, al of niet gehandicapt, op gelijke wijze door God bemind wordt en dat Jezus in hem leeft, zelfs wanneer die persoon zelf daar nauwelijks uitdrukking aan kan geven. Geloof en Licht gelooft dat elke mens, zelfs de minst begaafde, geroepen is om het leven van Jezus ten diepste te beleven, heel de geestelijke rijkdom van zijn Kerk te ontvangen, de sacramenten, de liturgische overlevering enz. Hij is geroepen een bron van genade en vrede te zijn voor heel de gemeenschap, en ook voor de Kerken en heel de mensheid. (Charter II, 1).

De Internationale Vereniging van Geloof en Licht heeft een gedragscode opgesteld met betrekking tot het welzijn en de bescherming van de meest kwetsbaren in de gemeenschap, met name de kinderen en de personen met een beperking, jong en oud, die deelnemen aan de gebruikelijke bijeenkomsten van de gemeenschappen, maar ook aan de incidentele activiteiten zoals weekends, vakantiekampen of bedevaarten…

Deze gedragscode is geen vervanging van de nationale wetgeving die op deze onderwerpen van kracht is, maar geeft richtlijnen voor het gedrag waaraan leden van Geloof en Licht zich binnen hun gemeenschap moeten houden om het welzijn van de zwaksten in onze gemeenschappen te eerbiedigen en hen te beschermen tegen risico’s van misbruik of mishandeling. Iedereen wordt dan ook geacht om op de hoogte te zijn van de geldende regelgeving.

De gemeenschappen kunnen, buiten de reguliere ontmoetingen om, nog allerlei andere activiteiten ontplooien. De aard van deze activiteiten is afhankelijk van de behoeften en de creativiteit van haar leden en de inspiratie van God. Zo kan men vakantiekampen organiseren, retraites, bedevaarten enz. (Charter III, 2)

1. Wat wordt bedoeld met mishandeling?

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO, World Health Organization) definieert mishandeling als “elke vorm van lichamelijke en/of emotionele mishandeling, verwaarlozing, nalatigheid en commerciële of andere uitbuiting die resulteert in feitelijke of potentiële schade aan de gezondheid, het voortbestaan, de ontwikkeling of waardigheid van de persoon in de context van een relatie van verantwoordelijkheid, vertrouwen of macht.” (WHO-Genève, 29-31  Maart 1999)

2. Wat omhelst deze gedragscode?

Om de persoon met een verstandelijke beperking te kunnen helpen om vrede van hart te vinden en hoop op en verlangen naar ontplooiing, is het zeker nodig hem te zien in het licht van het Evangelie. Maar het is eveneens nodig om zijn menselijke noden en zijn lijden te begrijpen en daarop een antwoord weten te geven. Dat vereist het geleidelijk aan opdoen van praktische ervaring en noodzakelijke kennis. Degenen die zich met Geloof en Licht verbonden hebben moeten zich kennis en vaardigheden verwerven om gewonde en in moeilijkheden verkerende gehandicapten te kunnen begeleiden. (Charter III,3)

Overeenkomstig ons Charter wordt in de gemeenschappen van ons gevraagd: 

  • om met name kinderen en de meest kwetsbare personen in onze gemeenschap met respect en waardigheid te bejegenen, rekening houdend met hun specifieke karakter, behoeften en interesses en overeenkomstig de lokale gebruiken en culturele omstandigheden;
  • om de rechten van elke persoon te eerbiedigen als een volwaardig persoon, in lichaam en geest;
  • om een sfeer van openheid en transparantie te creëren en te ontwikkelen, waar iedereen zich vrij voelt om in alle openheid over zijn zorgen, problemen en  persoonlijke situatie te kunnen spreken en waar oprecht wordt geluisterd;
  • om in de gemeenschap elk gedrag te vermijden dat de fysieke en psychische integriteit van een persoon kan bedreigen;
  • om de coördinator van de gemeenschap en/of de provinciale vicecoördinator te verwittigen indien er ook maar enige twijfels rijzen aangaande het naleven van de gedragscode of indien er een situatie dreigt te ontstaan die hiermee in tegenspraak is;
  • om erop toe te zien dat kwetsbare personen in de gemeenschap, die niet in staat zijn om zelfstandig te douchen of naar het toilet te gaan, alleen door daartoe bekwame mensen worden begeleid.

Voor elke activiteit die langer dan 24 uur duurt, dient de gemeenschapscoördinator een verklaring op te sturen naar de provinciale of nationale vereniging. In deze verklaring dient expliciet te worden vermeld dat alle deelnemers op de hoogte zijn gebracht van deze gedragscode. Elke gemeenschapscoördinator dient door de provinciale of nationale vereniging geïnformeerd te worden over de maatregelen die, indien nodig, moeten worden toegepast, evenals de naam van de contactpersoon binnen de vereninging die gecontacteerd dient te worden. 

Mensen met een verstandelijke beperking, die niet of amper kunnen lezen of schrijven, zullen op een andere manier geïnformeerd moeten worden over de inhoud van deze gedragscode, overeenkomstig hun individuele bevattingsvermogen en communicatieniveau. 

Daarnaast dient de gemeenschapscoördinator, bij het organiseren van activiteiten, op voorhand een plan te maken waarin wordt omschreven op welke wijze de waakzaamheid zal worden betracht om het welzijn en de bescherming van de meest kwetsbare persoren te borgen. Elke avond zullen degenen, die belast werden met het toezicht in deze, de activiteiten van de voorbije dag, met betrekking tot de bescherming van kwetsbare personen, evalueren.

Dit plan dient er rekening mee te houden dat een overtreding van wettelijke verboden, hetzij feitelijk of opzettelijk, strafbaar is en onderworpen aan onmiddellijke vervolging, waarbij noodzakelijkerwijs niet alle overtredingen op dezelfde wijze dienen te worden behandeld of gedocumenteerd. Het is in ieder geval onder alle omstandigheden volstrekt wettelijk verboden om:

  • iemand te slaan of iedere andere vorm van fysiek, verbaal of psychologisch geweld te gebruiken;
  • verbaal of fysiek seksueel gedrag te vertonen of iemand seksueel te misbruiken;
  • iemand te vernederen of te kleineren door woorden of daden;
  • iemand via sociale media direct of indirect te bestoken of te intimideren.

We dienen ons bewust te zijn van de noodzaak om kwesties met betrekking tot misbruik en mishandeling in het algemeen, voortdurend onder de aandacht te brengen, allereerst bij de verantwoordelijken, maar daarnaast bij al onze leden. Aan de andere kant, als iemand in het geheim iets wordt toevertrouwd, of wanneer men zelf iets ontdekt, kan dit reacties van boosheid en/of verwardheid veroorzaken, zonder te weten hoe men nu verder moet handelen. Dit verhoogt het risico dat men er ofwel verder maar het zwijgen toe doet, of daarentegen iedereen op de hoogte brengt – terwijl het juist heel belangrijk is om een ​​hoge mate van discretie te betrachten om het slachtoffer optimaal te beschermen zodat men in een vertrouwelijke sfeer naar hem/haar kan luisteren. Hiertoe zou het provincieteam een groepje personen moeten aanwijzen, maar ten minste één contactpersoon. Deze persoon zal eerst luisteren naar degene die op de hoogte is van de feiten, om vervolgens hem/haar te adviseren met betrekking tot deze feiten en het verzamelen van verdere informatie.

3. Hoe moeten we omgaan met bewijsmateriaal of informatie over een lid van de gemeenschap inzake mishandeling of misbruik?

a)   Het is noodzakelijk om een positieve grondhouding te hebben ten opzichte van het slachtoffer en zijn/haar verwoording van het gebeurde niet te bagatelliseren. Het is erg belangrijk om de persoon te helpen zicht vrij te uiten en alert te zijn om hem/haar vooral niet te beïnvloeden, maar om te proberen zo goed mogelijk de objectieve feiten te verzamelen en alles schriftelijk vast te leggen.

b)   Vervolgens moet de geloofwaardigheid van het gebeurde worden beoordeeld op basis van objectief geconstateerde feiten (waarnemingen of anderszins). Het is beter om de vermeende persoon verdere deelname aan activiteiten te ontzeggen, om de verklaring niet in gevaar te brengen.

c)   Zorg voor een schriftelijke, en zoveel mogelijk objectieve verslaglegging (plaats, datum en tijd), met vermelding van de feiten en wat gehoord werd, en stel dit ter beschikking aan de autoriteiten die mogelijk een officieel onderzoek willen instellen.

c)   Indien de feiten geloofwaardig zijn dient de persoon die het misbruik heeft gepleegd met onmiddellijke ingang uit de beweging te worden gesuspendeerd en van iedere verdere deelname aan activiteiten worden uitgesloten.

d)   Indien een minderjarige of een kwetsbaar persoon slachtoffer van misbruik is geworden, moet degene die op de hoogte werd gesteld van dit misbruik, aangifte doen bij de politie en de erkende autoriteiten; ook zij die verantwoordelijk zijn voor het slachtoffer (ouder, voogd) dienen te worden geïnformeerd evenals de verantwoordelijken van de provinciale vereniging van Geloof en Licht.

e)   Er kunnen zich andere situaties voordoen waarbij de feiten ‘twijfelachtig’ zijn en waarbij het vervolgens toch nodig is om een onderzoek in te stellen vanwege een vermoeden van onschuld maar ook vanuit de gedachte dat elk risico op nieuw misbruik moet worden vermeden.

4. Welke handelswijze wordt aanbevolen voor het omgaan met bewijsmateriaal of informatie over een lid van de gemeenschap inzake mishandeling of misbruik?

–     We moeten ons ervan bewust zijn dat een persoon, die een vertrouwelijke melding omtrent misbruik ontvangt, hierdoor ernstig verontrust kan zijn en behoefte heeft aan iemand die uiterst discreet naar hem/haar kan luisteren, iemand die expertise heeft op dit gebied en weet hoe men verder dient te handelen.

–     Deze informatie mag nooit worden onderschat.

–     Het is daarom noodzakelijk om deze eerste signalen strikt vertrouwelijk te behandelen, met respect voor een vermoeden van onschuld, en uiterste geheimhouding te eisen van de persoon die een dergelijke situatie heeft veroorzaakt waarbij mogelijk de wet werd overtreden of waarbij deze gedragscode niet werd gerespecteerd.

      We moeten echter voorkomen dat de waarheid wordt stilgezwegen, zoals wel vaker gebeurt in dergelijke omstandigheden.

–     Elke melding die gedaan wordt door een lid van een gemeenschap dient onmiddellijk te worden doorgegeven aan de provinciecoördinator; deze zal regelmatig op de hoogte worden gehouden omtrent de voortgang van de situatie. De informatie zal ook worden doorgestuurd naar de voorzitter van de raad van bestuur van Geloof en Licht Internationaal, evenals naar de algemeen secretaris.

–     Indien de feiten bewezen worden geacht, dient men het slachtoffer te ondersteunen en te helpen om het trauma te verwoorden en een formele klacht in te dienen. Men moet voorkomen dat het slachtoffer zichzelf verantwoordelijk voelt voor het misbruik, vooral als het gepleegd werd door een gezagspersoon. De dader van het misbruik mag op geen enkele manier nog verder contact onderhouden met het slachtoffer en eventueel ook niet met andere leden van de gemeenschap. Iedereen moet op een andere manier behandeld worden. De coördinator van de gemeenschap zal ervoor zorgen dat passende steun zal worden gegeven aan alle betrokkenen in kwestie, aan hun gezinsleden en aan hun begeleiders; deze steun zal ook worden aangeboden aan alle andere leden van de gemeenschap die door deze situatie werden getroffen.

5. Aanpassing aan de lokale wetgeving

Aan alle provincies zal worden gevraagd om ervoor te zorgen dat deze gedragscode wordt aangepast aan de nationaal geldende wetgeving van ieder land waar Geloof en Licht aanwezig is.


VOORBEELD

Voorbeeld van een document t.b.v. activiteiten van Geloof en Licht dat dient te worden ondertekend door de coördinator van de gemeenschap en te worden verzonden naar de provinciecoördinator. 

VERKLARING          

Ik, ondergetekende:

Coördinator van de gemeenschap:

Provincie:

Verklaar dat ik de gedragscode van Geloof en Licht heb gelezen en begrepen en ik beloof deze te respecteren en na te leven, evenals de wetgeving die in mijn land van kracht is. Tevens verklaar ik dat ik alle deelnemers geïnformeerd heb over de inhoud van de code. Ik verklaar dat ik door de provinciale/nationale vereniging op de hoogte ben gesteld van de handelswijze die men – indien nodig – dient na te volgen.

Opgesteld te (plaats):

Op (datum):

Handtekening: